Earth, Wind & Fire – (1975) That’s The Way Of The World

Het Bejaarde Plaatjes Huis

Earth, Wind & Fire – (1975) That’s The Way Of The World

De band werd in 1969 in Chicago opgericht door Maurice White, voormalig sessiedrummer van het Chess-label, het songwritersduo Wade Flemons en Don Whitehead en gitarist Michael Beale. Onder de naam Salty Peppers brachten ze twee singles uit; La La Time werd een hit in het Midwesten, Uh Huh Yeah deed het minder. White (drums) en Flemons (zang, toetsen) verhuisden met Sherry Scott (zang) en Yackov Ben Israel (percussie) naar Los Angeles; Verdine White, de jongere broer van Maurice, verliet Chicago op 6 juni 1970 om zich bij de band aan te sluiten als bassist. Verdere versterking kwam van rietblazer Chester Washington, trompettist/arrangeur Leslie Drayton en trombonist Alex Thomas.

Maurice White vond Salty Peppers niet universeel genoeg klinken voor de plannen die hij met de band had en koos voor ‘Earth, Wind & Fire’, naar de elementen aarde, lucht en vuur in zijn horoscoop. Daarbij is Lucht (air) vervangen door het beter klinkende ‘Wind’. In die periode ging hij ook in de leer bij Charles Stepney, producer van latere EWF-albums en de eerste solo-lp van Minnie Riperton (Come To My Garden) waarop Maurice de drums voor zijn rekening nam.

In februari en november 1971 verschenen de eerste twee albums (Earth, Wind & Fire en The Need of Love; beide geproduceerd door Joe Wissert) op Warner en werd met I Think About Lovin’ You een eerste top R&B 40-hit gescoord. Artistieke meningsverschillen maakten echter snel een einde aan de band.

Maurice en Verdine White zaten echter niet bij de pakken neer; in 1972 richtten ze een nieuwe Earth, Wind & Fire op waarmee ze een jonger en breder publiek wilden aanspreken. Op advies van de manager rekruteerde Maurice jonge getalenteerde muzikanten in plaats van oude(re) jazzmusici; de nieuwkomers waren: Larry Dunn (toetsen), Jessica Cleaves (zang), Roland Bautista (gitaar), Ronnie Laws (sax/fluit), Ralph Johnson (zang/percussie) en Philip Bailey (zang/percussie). Warner wist echter niet wat ze met het vernieuwde EWF moesten beginnen aangezien deze platenfirma al een funkband had (Charles Wright & the Watts 103rd Street Rhythm Band).

Clive Davis van Columbia Records was wel onder de indruk toen hij de band in New York zag optreden als voorprogramma van John Sebastian, en hij nam het Warner-contract over. Op het Columbia/CBS-debuut Last Days and Time staan twee covers: Where Have All The Flowers Gone (een door Pete Seeger geschreven nummer, dat later vertaald werd voor Marlene Dietrich als Sag Mir Wo Die Blumen Sind) en Breads Make It With You.

1974 was een druk jaar voor de band met een optreden op 6 april op het California Jam-festival, een openluchtfestival met 200.000 bezoekers op het California Speedway terrein en een samenwerking met Ramsey Lewis op diens album Sun Goddess. EWF speelde in dat jaar in een speelfilm de rol van een band die wordt ontdekt door Coleman Buckmaster (gespeeld door Harvey Keitel) en die tijdens hun eerste plaatopname met de keerzijde van de muziekindustrie wordt geconfronteerd: That’s the Way of the World, geproduceerd door Sig Shore.

De film verscheen in 1975 maar werd geen succes; in tegenstelling tot de vooraf uitgebrachte soundtrack waarvan Shining Star en het titelnummer (That’s the Way of the World) hits werden. EWF werd de eerste zwarte act die tegelijkertijd de Billboard single- en albumlijsten aanvoerde en bleef vanaf toen jaren aan de top.

That’s the Way of the World betekende ook het begin van het gebruik van Egyptische symbolen en piramiden op platenhoezen, kleding en podiumdecoratie. Tijdens tournees kon men onder andere het volgende aanschouwen: Verdine White die tijdens zijn bassolo’s door middel van trucage in een horizontale positie werd gebracht en mid air bleef doorspelen; de finale waarbij de bandleden in een piramide verdwenen die daarna uiteenklapte. Deze tournees werden geregisseerd door Doug Henning en diens assistent David Copperfield. George Faison tekende voor de choreografie.

Op het podium, maar ook in de studio, werd EWF door The Phenix Horns begeleid; deze blazerssectie bestond uit Donald Myrick (saxofoon), Louis ‘Lui lui’ Satterfield (trombone), Michael Harris (trompet) en Rahmlee Michael Davis (trompet).

De band toerde door Europa als voorprogramma van Santana en deed daarbij op 11 oktober 1975 de Rotterdamse Ahoy aan. Ondertussen verscheen de live-dubbelaar Gratitude waarvoor enkele nieuwe nummers waren opgenomen, zoals Sing a Song en Can’t Hide Love. Gratitude stond drie weken op nummer 1 in de pop en R&B-lijsten en leverde de Phenix Horns hun eerste credits op. EWF werd door lezers van het muziekblad Downbeat uitgeroepen tot beste R&B-groep.